Het wetsvoorstel financiering kinderopvang — wat de nieuwe wet regelt
Bijna alles in dit dossier komt voort uit één document: het conceptwetsvoorstel voor de Wet financiering kinderopvang. Wat regelt die wet precies, uit welke onderdelen bestaat ze, en wat staat er nog níét in? Een feitelijke uitleg van het voorstel zoals het er nú ligt.
Bijgewerkt 4 oktober 2026. Het maximale vergoedingspercentage stond tot de bekendmaking op 96%. In de Kamerbrief van 21 september 2026 is het bijgesteld naar 95,6%: het nieuwe stelsel valt structureel ongeveer € 60 miljoen duurder uit dan voorzien, en dat wordt opgevangen in het vergoedingspercentage. De eigen bijdrage van ouders wordt daardoor iets hoger.
Bijna alles in dit dossier — de DAEB, de staatssteunvraag, het redelijk rendement, de verantwoording — komt voort uit één document: het conceptwetsvoorstel voor de Wet financiering kinderopvang. Dat voorstel lag van 17 oktober tot 28 november 2025 ter internetconsultatie. In dit stuk lees je wat die wet in de kern regelt, uit welke onderdelen ze bestaat, en — net zo belangrijk — wat er nog níét in staat. Eén kanttekening vooraf: dit is een concept. Wat ter consultatie lag, is niet automatisch wat straks wet wordt; de consultatiereacties, het advies van de Raad van State en de lagere regelgeving gaan het nog aanpassen. We beschrijven de wet dus zoals ze er nú ligt.
Van kinderopvangtoeslag naar een directe vergoeding
De kern van de wet is een andere manier van betalen. Het huidige stelsel van kinderopvangtoeslag wordt vervangen door een inkomensonafhankelijke vergoeding die de overheid als subsidie rechtstreeks aan de houder van het kindercentrum of het gastouderbureau betaalt — niet langer via de ouder. Hoe die geldstroom precies verandert, lees je in van toeslag naar directe financiering. In het voorstel dekt die vergoeding het grootste deel van de kosten: 95,6% van de maximumuurprijs.
Bij die nieuwe financiering zijn steeds drie partijen betrokken: de ouder die opvang wil, de houder die de opvang biedt, en de overheid die via een uitvoerder betaalt. Het doel dat het kabinet ermee voor ogen heeft, is een eenvoudiger stelsel dat ouders meer financiële zekerheid geeft en de opvang betaalbaarder maakt — een antwoord op de problemen met terugvorderingen in het toeslagenstelsel.
De hoofdlijnen — hoe de wet is opgebouwd
Het hart van het voorstel zit in hoofdstuk 2, dat twee rechten naast elkaar zet en daar de DAEB-aanwijzing aan koppelt.
Het recht van de ouder op gesubsidieerde opvang. De ouder vraagt dit recht aan bij de uitvoerder (artikel 2.4). De belangrijkste voorwaarde is de arbeidseis — de koppeling aan gewerkte uren — of een uitzondering daarop. De hoogte van de vergoeding hangt vervolgens vooral af van keuzes en omstandigheden die bij de ouder liggen: de inkomenseis (nader te bepalen bij AMvB), en de soort en hoeveelheid opvang waarvoor de ouder kiest.
Het recht van de houder op vergoeding. De houder maakt aanspraak op de vergoeding (artikel 2.1) zodra er een overeenkomst met de ouder is, is vastgesteld dat de ouder recht heeft op gesubsidieerde opvang, én de houder aan een aantal aansluiteisen voldoet. Die aansluiteisen zijn formeel van aard: de houder moet bepaalde beheersmaatregelen nemen, die nog bij AMvB worden vastgesteld (artikel 2.18).
De aanwijzing als DAEB. Dit is het onderdeel met de meeste gevolgen voor je bedrijfsvoering, en het staat in paragraaf 10 van de wet. Artikel 2.31 wijst de houders aan om kinderopvang te bieden als Dienst van Algemeen Economisch Belang, voor zover zij daarvoor de vergoeding ontvangen — een aanwijzing met een looptijd van tien jaar. Artikel 2.32 verbindt daar concrete verplichtingen aan: je voert een gescheiden boekhouding waarin de DAEB-activiteiten los staan van je overige werkzaamheden, en je ontvangt voor de DAEB een vergoeding ter hoogte van de nettokosten inclusief een 'redelijke winst'. Komt de vergoeding daar bovenuit, dan wordt het meerdere teruggevorderd. Wat een redelijke winst precies is en hoe je de nettokosten berekent, wordt later bij AMvB uitgewerkt — daarover lees je meer in kostprijs en redelijk rendement.
Toezicht en verantwoording. De wet regelt ook de handhaving — van een last onder dwangsom tot een bestuurlijke boete (artikelen 2.40 tot en met 2.43) — en de verantwoording die daarbij hoort, zoals een periodieke compensatieverantwoording en de toepassing van de WNT op de sector.
Wat nog niet vaststaat — de rol van de AMvB's
Opvallend aan dit voorstel is hoevéél er nog niet in de wet zelf staat, maar wordt doorgeschoven naar lagere regelgeving: de algemene maatregelen van bestuur (AMvB's). De berekening van de nettokosten en de redelijke winst, de manier waarop je de gescheiden boekhouding voert, de inkomenseis, de aansluiteisen — het zijn stuk voor stuk onderdelen die pas bij AMvB concreet worden. En die AMvB's zijn op het moment van schrijven nog niet bekend, ook niet in concept.
Voor jou als houder is dat belangrijk om te weten: de wet zet de kaders, maar de spelregels die je dagelijkse bedrijfsvoering raken — vooral rond rendement en verantwoording — worden pas later ingevuld. Precies daarom is dit een levend dossier.
Waarom dit voorstel nog gaat veranderen
Een conceptwetsvoorstel doorloopt een heel traject voordat het wet is. Op de consultatieversie kwamen stevige reacties uit de sector: de Brancheorganisatie Kinderopvang (met een juridische analyse van Stibbe) en de grootste commerciële aanbieder Partou plaatsten kritische kanttekeningen, onder meer over de forse toename van de regeldruk en over de juridische houdbaarheid van de DAEB-aanwijzing.
En daar zit meteen de grootste onzekerheid. In de memorie van toelichting concludeert het kabinet zélf dat het nieuwe stelsel staatssteun omvat, en dat de DAEB-aanwijzing de manier is om die steun rechtmatig te verstrekken. Of dat juridisch klopt, is precies het punt waarover de landsadvocaat en Stibbe lijnrecht tegenover elkaar staan — dat werken we uit in staatssteun of niet?. Na de consultatie volgen nog het advies van de Raad van State en de behandeling in beide Kamers; wanneer dat speelt, lees je in de weg naar 2029. Kortom: de richting ligt vast, maar de precieze tekst nog niet.
Wat dit voor jou betekent
Dit voorstel is de wet waaronder je straks werkt, en drie onderdelen raken je bedrijfsvoering het meest direct: de DAEB-aanwijzing met haar tienjarige looptijd, de verplichte gescheiden boekhouding tussen DAEB- en niet-DAEB-activiteiten, en de begrenzing van je vergoeding tot de nettokosten plus een redelijke winst. Dat zijn geen administratieve details, maar keuzes die je structuur, je rendement en je verantwoording raken.
Tegelijk staat veel van de concrete invulling nog open, in de AMvB's die nog moeten komen. De verstandige lijn is dan ook niet afwachten tot alles vaststaat, maar de kaders die er al liggen nu leren kennen — zodat je klaar bent zodra de details worden ingevuld. In dit dossier houden we die ontwikkelingen bij; alle brondocumenten vind je in het juridisch dossier .
Wil je dit dossier blijven volgen, met de verdiepende analyses over de gevolgen voor je organisatie? Die lees je in Grip+.
Wijzigingslog
- 03-10-2026 — Vergoedingspercentage bijgewerkt: in de versie die bij de Raad van State ligt is het 95,6% in plaats van 96%. Bron toegevoegd: Kamerbrief van 21 september 2026.
- 04-10-2026 — Vergoedingspercentage overal op 95,6% gezet en de bijstelling éénmalig gemeld boven het artikel. Bron: Kamerbrief van 21 september 2026.
- 06-10-2026 — Verwijzing naar Grip+ toegevoegd aan het slot.
- 07-10-2026 — Artikelnummers bijgewerkt naar de versie van het wetsvoorstel die op 21 september 2026 naar de Raad van State ging (2.7 wordt 2.4, 2.16 wordt 2.18, paragraaf 6 wordt 10, 2.27 wordt 2.31, 2.28 wordt 2.32, 2.34 en 2.35 worden 2.40 tot en met 2.43).
Bronnen
Dit artikel beschrijft het conceptwetsvoorstel en de memorie van toelichting zoals die ter consultatie lagen. De artikelnummers en hoofdlijnen zijn ontleend aan dat officiële stuk. De onderliggende bronnen:
- Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, oktober 2025 — Wetsvoorstel financiering kinderopvang en memorie van toelichting (internetconsultatie 17 oktober – 28 november 2025)
- Rijksoverheid, 29 januari 2026 — Wetsvoorstel financiering kinderopvang: vragen en antwoorden over de DAEB
- Landsadvocaat, 22 januari 2026 — Staatssteunaspecten conceptwetsvoorstel financiering kinderopvang (bevestigt de staatssteunconclusie in de memorie van toelichting)
- Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 21 september 2026 — Kamerbrief Voortgang nieuw financieringsstelsel voor kinderopvang (kenmerk 2026-0000311489; de verlaging naar 95,6%, de bijstelling van het ingroeipad 2027 en de beoordeling van de alternatieven)
- Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 21 september 2026 — Wetsvoorstel financiering kinderopvang met memorie van toelichting, versie adviesaanvraag Raad van State (artikelen 2.1, 2.4, 2.18, 2.31, 2.32 en 2.40 tot en met 2.43)
Volledig overzicht van alle brondocumenten in dit dossier — inclusief status en fase. Naar het Juridisch dossier 2029