Gelezen: 45

Publiek geld én commercie: wat Nederland kan leren van de Scandinavische kinderopvang

Deel dit artikel via...

Publicatiedatum: 5 juli 2026Dossier: Analyse

Als Nederland straks bijna negen miljard euro publiek geld rechtstreeks in een grotendeels commerciële kinderopvangmarkt stopt, is dat dan uniek? In een eerder stuk zag je dat het antwoord genuanceerd is. Voor de vraag die eronder ligt — kunnen publieke financiering en commercie in de opvang wél samengaan, en hoe regel je dat? — hoef je niet ver te kijken. Scandinavië doet het al decennia. En juist de vraag waar Nederland nu mee worstelt, de ruimte voor winst en rendement, is daar al jaren het strijdpunt.

Eén model: publiek betaald en gereguleerd, niet per se publiek uitgevoerd

De vijf Noordse landen — Denemarken, Zweden, Noorwegen, Finland en IJsland — delen een herkenbaar model. De kinderopvang is er ooit door non-profitpartijen opgezet; in de jaren zeventig maakten de meeste landen de opvang tot een publieke verantwoordelijkheid, met de gemeenten als spil, waarna de dekking geleidelijk groeide.

Wat die landen kenmerkt, is een duidelijke rolverdeling: de dienst wordt deels privaat uitgevoerd, maar de financiering en de regulering blijven publiek. Publieke én private aanbieders vallen onder dezelfde nationale regels en hetzelfde curriculum. De overheid betaalt fors mee — via vouchers of publieke aanbestedingen — en de ouderbijdrage is gemaximeerd en inkomensafhankelijk. In Denemarken bijvoorbeeld zijn gemeenten wettelijk verplicht voor alle kinderen vanaf ongeveer zes maanden gesubsidieerde opvang te bieden, dragen zij minstens 75 procent van de kosten, en betalen ouders hoogstens een kwart.

Belangrijk: geen van deze landen regelt dit via een landelijke DAEB-aanwijzing. Zij bereiken publieke financiering van een gemengde markt via vouchers, aanbestedingen en nationale regels — een ander juridisch pad dan Nederland nu kiest.

Maar hoevéél commercie verschilt sterk per land

Onder dat gedeelde model schuilt een groot verschil: hoeveel ruimte elk land aan private en commerciële aanbieders geeft. Vergelijkend onderzoek laat zien dat in Zweden, Denemarken, Finland en IJsland ongeveer tachtig procent van de kinderen naar een publieke voorziening gaat en twintig procent naar een niet-publieke. In Noorwegen is dat ongeveer fiftyfifty.

En binnen die private groep zit van alles: van eenmanszaken en non-profit oudercoöperaties tot grote commerciële ketens, waarvan sommige internationaal opereren of in handen zijn van grote investeringsmaatschappijen. Elk land maakt daarin een eigen politieke keuze.

Denemarken houdt de commercie klein. Sinds 2011 mogen gemeenten de uitvoering uitbesteden aan private bedrijven die binnen grenzen winst mogen maken, maar het aantal for-profitaanbieders is laag; de opvang blijft overwegend publiek. Zweden is het meest permissief op winst: na de markthervormingen van de jaren negentig — met een vouchersysteem en vrije aanbiederskeuze — gelden lage toetredingsdrempels en geen beperkingen op het uitkeren van winst. Toch bleef de publieke uitvoering in de opvang opvallend overeind, anders dan in het Zweedse onderwijs en de zorg. Finland ziet de private uitvoering de laatste tien jaar groeien, vooral dankzij publieke financiering. IJsland voert nauwelijks bewust beleid op het onderscheid tussen publiek en privaat. En Noorwegen ging het verst — daarover hieronder meer.

Wil je up-to-date blijven?

Blijf op de hoogte van de ontwikkelingen rond de DAEB-aanwijzing en de nieuwe financiering van kinderopvang.

Schrijf je gratis in voor de nieuwsbrief van KDV Online.

Schrijf je in

Inzoomen op Noorwegen: publiek geld, commerciële reuzen

Noorwegen is de scherpste spiegel voor Nederland. Van oudsher waren non-profitaanbieders er groot. Maar om volledige dekking te bereiken, introduceerde de overheid commerciële prikkels en nodigde zij commerciële partijen de sector in. Dat deed het aandeel for-profitaanbieders en grote concerns sterk toenemen — tot ongeveer de helft van de kinderen nu naar een niet-publieke opvang gaat, en tot sommige aanbieders in handen kwamen van internationale investeringsmaatschappijen.

Die grote spelers zijn inmiddels zo omvangrijk dat ze het beleid mede beïnvloeden: in consultaties dringen ze zelf aan op een herziening van de financieringsregels voor private centra. En precies daar zit het Noorse strijdpunt: hoeveel publiek geld mag er via de opvang bij commerciële eigenaren als winst terechtkomen, en hoe reguleer je dat? Noorwegen stuurt die markt actief — met regels voor vestiging en winst — en het debat daarover is er nog altijd niet beslecht.

De les zit in de volgorde

Leg je de Noordse landen naast elkaar, dan valt op dat er geen "Scandinavisch antwoord" is dat Nederland kan overnemen. Denemarken houdt de commercie klein, Zweden laat winstuitkering vrijwel vrij, Noorwegen worstelt. Er zijn alleen verschillende afwegingen. En geen van deze landen doet het via een DAEB: zij regelen publieke financiering van een gemengde markt via vouchers, aanbestedingen en nationale regels. De DAEB is dus niet de enige route — het is de route die Nederland kiest.

Maar er is één ding dat wél overdraagbaar is, en het is de volgorde.

Noorwegen opende eerst de markt en stelde de winstvraag pas daarna. In de tussentijd groeiden de commerciële aanbieders uit tot partijen met eigen gewicht — en toen de financieringsregels eindelijk op tafel kwamen, zaten zij er zelf aan, met een uitgesproken belang bij de uitkomst. Wie de winstvraag uitstelt, beslecht haar uiteindelijk mét de partijen die van dat uitstel hebben geprofiteerd. Dat is geen verwijt aan die partijen; het is een voorspelbaar gevolg van de volgorde.

Nederland zit in dezelfde volgorde. De markt bestaat al — grotendeels commercieel, met ketens en investeringsmaatschappijen erin. En de norm voor een redelijk rendement komt pas bij algemene maatregel van bestuur, dus ná de wet. Het bepalende document van deze hele hervorming moet nog worden geschreven.

Wat dit voor jou betekent

De vraag is dus niet óf publiek geld en ondernemerschap samengaan — dat kan, dat laat Scandinavië al decennia zien, mits de financiering en de regels publiek blijven. De vraag is onder welke voorwaarden. En die voorwaarden worden nog geschreven.

Daarmee wordt één vraag praktisch: wie praat er mee als die norm wordt bepaald? In Noorwegen waren dat uiteindelijk de grootste commerciële partijen — zij waren er, en zij hadden er belang bij. Hoe dat in Nederland gaat lopen, is op dit moment onduidelijk. En juist dat maakt het urgent.

Aan de ene kant hebben BK en BVOK op 18 mei 2026 hun deelname aan een overlegtraject over de DAEB opgeschort. Niet uit onvrede over het proces, maar omdat zij de aanwijzing als DAEB "een veel te zwaar en risicovol instrument" vinden en niet aan tafel wilden blijven alsof er nog ruimte was om die route wezenlijk aan te passen. Aan de andere kant nodigt de minister de sector juist uit. In het commissiedebat van 25 juni 2026 zei Aartsen dat de spelregels wat hem betreft "zo light mogelijk" moeten zijn, dat hij het rendement "niet te strak" wil inregelen, en dat dit precies "het gesprek dat ik met de sector verder zou willen voeren" is.

Daar zit de klem. De sector wil praten over óf; de minister wil praten over hoe. Zolang die twee langs elkaar heen praten, wordt het document dat jouw verdienvermogen bepaalt geschreven zonder dat duidelijk is wie namens jou meedenkt.

Voor jou als bestuurder komt het neer op drie vragen. Weet je wat er in die AMvB zou moeten staan om jouw bedrijfsvoering werkbaar te houden — concreet genoeg om het op te schrijven? Weet je wie dat namens jouw type organisatie — grote keten, middelgrote stichting, kleine houder — daadwerkelijk inbrengt? En als je op die twee vragen geen scherp antwoord hebt: langs welke weg wil je het dan alsnog kwijt, zolang het document nog niet af is? Waarom wij vinden dat de branche dat gesprek moet voeren, staat in onze opinie De DAEB is een te groot schip om nog te keren. Hoe de staatssteunvraag hieronder juridisch in elkaar zit, lees je in de juridische kern van het debat.

Stand per 12 juli 2026

Dit is een momentopname, geen live dossier. De beschreven verhoudingen in de Noordse landen zijn de stand van dit moment en veranderen langzaam.

Het Nederlandse spoor beweegt wél. Het wetsvoorstel financiering kinderopvang ligt in de adviesfase bij de Raad van State; daarna volgt behandeling in beide Kamers. De norm voor een redelijk rendement — waar dit stuk op uitkomt — is nog niet vastgesteld, en de algemene maatregel van bestuur die haar invult, moet nog worden geschreven. Zodra daar iets verandert, werken wij dat bij in het live dossier Kostprijs en redelijk rendement, niet in dit artikel.

Bronnen

De vergelijking tussen de Noordse landen steunt op vergelijkend en peer-reviewed onderzoek; de landeninformatie komt daarnaast uit officiële bronnen. De les over de volgorde is een duiding van de redactie, geen conclusie van de aangehaalde onderzoekers.

Volledig overzicht van alle brondocumenten in dit dossier — inclusief status en fase. Naar het Juridisch dossier 2029

Deel dit artikel via...

Zorgvuldig samengesteld — en open voor jouw kennis. Deze informatie is met de grootste zorgvuldigheid samengesteld en gebaseerd op officiële bronnen. Zie je toch iets wat volgens jou niet klopt, of heb je een vraag? Laat het ons weten

Jeroen Pernot, eigenaar van KDV Online
Eigenaar KDV Online

Jeroen Pernot

Jeroen is oprichter van KDV Online. Zijn missie: grip op kinderopvang. Hij vertaalt de complexe stelselherziening richting 2029 naar de praktijk — van Kamerdebatten en adviezen tot wetgeving. Zo weet jij waar je aan toe bent en maak je onderbouwde keuzes.

De DAEB vraagt voorbereiding. Wil je sparren over wat dit voor jouw organisatie betekent? Ga dan met Jeroen in gesprek.

Ik houd je ook graag op de hoogte van de ontwikkelingen binnen het kerndossier DAEB Kinderopvang 2029. Meld je aan voor de nieuwsbrief en je bent als eerste op de hoogte.

Kostenprognose 2027

Met de Kostenprognose bereken je gratis de verwachte kostenstijging voor 2027, volgens de Ayit-methode. De inflatiecorrectie voor 2026 is al verwerkt, en je vult zelf je eigen cijfers in de velden in — zo krijg je een prognose die past bij jouw organisatie. Je ziet in één oogopslag hoeveel je kosten naar verwachting toenemen, wat de basis vormt voor een onderbouwd tariefbesluit voor het komende jaar.

Tarieventool 2027

Met de Tarieventool bereken je de netto bijdrage van alle inkomensklassen en zet je die af tegen de stijging van het netto loon als gevolg van je geplande prijsstijging. De KOT-tarieven voor 2027 zijn gebaseerd op de berekeningen van Ed Buitenhek (+3,3%). Je slaat verschillende scenario’s op en vergelijkt ze naast elkaar, zodat je precies ziet wat een tariefwijziging voor elke inkomensgroep betekent — en de uitkomsten kunt downloaden en delen met je oudercommissie.

Rekentool voor ouders

De meeste berekeningen gaan uit van het toeslagvoorschot. Deze rekentool corrigeert naar de eindafrekening: wat ouders na de definitieve toeslagberekening werkelijk betalen. Zo zie je de échte netto kosten van jóuw dienstverlening. En in 2027 dalen die voor veel ouders juist — terwijl jouw eigen kosten harder stijgen dan het maximale KOT-uurtarief. Zo licht je ouders goed voor over hun werkelijke netto kosten — en laat je zien dat je een transparante, betrouwbare aanbieder bent.