Is Nederland het eerste land dat de hele kinderopvang als DAEB aanwijst?
Nederland wil de volledige kinderopvang als DAEB aanwijzen. Doet een ander EU-land dat ook, of zijn we de eerste? Het antwoord is genuanceerder — en interessanter — dan een simpel ja of nee. We legden de claim naast de werkelijkheid in Duitsland, Frankrijk en België.
Als Nederland straks bijna negen miljard euro publiek geld rechtstreeks in een grotendeels commerciële kinderopvangmarkt stopt, is dat dan uniek? In een eerder stuk zag je dat de onderliggende vraag — kunnen publieke financiering en commercie in de opvang wél samengaan? — in Scandinavië al decennia met ja wordt beantwoord. Maar dat stuk beantwoordt niet de vraag die dit stuk stelt: gebruikt een ander EU-land daarvoor ook een DAEB-aanwijzing voor de kinderopvang als geheel, zoals Nederland nu doet? Voor het antwoord keken we naar drie landen die qua opvangmarkt het dichtst bij Nederland staan: Duitsland, Frankrijk en België.
Duitsland: de wet gaat uit van het omgekeerde
Duitsland vertrekt vanuit een ander uitgangspunt dan Nederland. Het achtste boek van het Sozialgesetzbuch (SGB VIII) legt in §3 en §4 lid 2 een subsidiariteitsbeginsel vast: waar erkende vrije aanbieders ("freie Träger") een voorziening kunnen bieden of tijdig kunnen opzetten, moet de overheid zelf terugtreden. Commerciële aanbieders ("privatgewerbliche Träger") vallen juridisch onder diezelfde categorie vrije Träger — maar alleen wie via §75 SGB VIII als erkend geldt, komt in aanmerking voor die voorkeursbehandeling en de bijbehorende financiering.
In de praktijk hebben deelstaten dat erkenningscriterium gebruikt om commerciële aanbieders juist buiten de deur te houden. Noordrijn-Westfalen sloot in zijn Kinderbildungsgesetz (KiBiz) de exploitatiekostensubsidie uitdrukkelijk af voor iedereen behalve kerken, erkende jeugdhulporganisaties en oudergroepen. De rechtbank van Aachen oordeelde in 2024 dat die uitsluiting waarschijnlijk in strijd is met het gelijkheidsbeginsel uit de Duitse grondwet — niet met Europees staatssteunrecht. Duitsland voert dit gevecht dus via nationaal grondwettelijk recht, deelstaat voor deelstaat, en niet via een DAEB.
Frankrijk: twee financieringssporen, en de markt kiest zelf
Frankrijk kent voor kinderopvang twee gescheiden financieringssporen. Onder de PSU (prestation de service unique) betaalt de CAF de opvanginstelling rechtstreeks, op basis van afgenomen uren en tegen een tarief dat gekoppeld is aan het inkomen van de ouders — maar dat vereist een convenant met de CAF en een landelijk vastgesteld tarief. Onder PAJE/CMG bepaalt de instelling zelf haar prijs; de ouders betalen die volledig en krijgen achteraf een deel terug van de CAF.
Van die twee sporen kiest de commerciële sector overwegend het tweede. Driekwart van de Franse micro-crèches is in commerciële handen, en 87 procent daarvan werkt via PAJE/CMG in plaats van via de PSU. Een onderzoek van de Franse inspecties Igas en Igf, gepubliceerd in januari 2024, laat zien wat dat ouders kost: voor een tweeverdienerspaar op minimumloon is een PAJE-plek tot 8,5 keer duurder dan een PSU-plek.
Het staatssteunvraagstuk komt in dit model amper aan de orde — juist omdat het geld niet rechtstreeks naar de aanbieder gaat, maar via de ouders loopt. Frankrijk regelt de deelname van commercie dus niet via een sectorbrede DAEB, maar via een knip tussen twee bekostigingsroutes met een verschillende juridische kwalificatie.
België (Vlaanderen): een vergelijkbare knip, maar dan op capaciteit
Vlaanderen kent een vergelijkbaar onderscheid. Kinderopvang met inkomenstarief ontvangt een rechtstreekse werkingssubsidie van Opgroeien (het vroegere Kind en Gezin); de ouderbijdrage is er inkomensafhankelijk. Kinderopvang met vrije prijs bepaalt zelf haar tarief en ontvangt geen rechtstreekse werkingssubsidie — wel eventueel subsidies voor kwaliteit of personeel.
Anders dan in Frankrijk is die knip in Vlaanderen niet primair een keuze van de aanbieder: nieuwe inkomenstariefplaatsen worden alleen toegekend als de Vlaamse regering daar budget voor vrijmaakt, volgens vaste criteria — niet elke aanvrager krijgt zo'n plaats, los van rechtsvorm. Wie buiten die toewijzing valt, blijft aangewezen op het vrije-prijssegment. Ook hier dus geen DAEB-aanwijzing, maar een gerantsoeneerde toegang tot de rechtstreekse subsidiestroom.
Terug naar Nederland: waarom deze omwegen hier niet werken
Duitsland, Frankrijk en België lossen dezelfde onderliggende spanning — publiek geld naar een deels commerciële markt — op zonder de sector als geheel tot DAEB aan te wijzen. Duitsland houdt commerciële aanbieders juridisch mogelijk maar in de praktijk vaak buiten de subsidie, en vecht dat nu uit voor de nationale rechter. Frankrijk en België laten de markt zelf kiezen tussen een gereguleerd spoor met rechtstreekse subsidie en een vrij spoor zonder — waardoor het merendeel van de commerciële aanbieders buiten de rechtstreekse subsidiestroom aan aanbieders blijft, en de staatssteunvraag zich eerder op de ouders richt dan op de instelling.
Nederland kiest een andere weg. Nederland routeert niet omheen de commerciële markt, maar erdoorheen: het kent nu al een zeer groot aandeel commerciële aanbieders, en de geldstroom draait om van een vergoeding aan ouders (de kinderopvangtoeslag) naar een rechtstreekse, uniforme betaling aan aanbieders van elke rechtsvorm — bijna negen miljard euro per jaar. Geen van de drie buurlanden routeert een bedrag van die orde rechtstreeks naar een zo grotendeels commerciële markt. Dat is precies waarom Nederland een DAEB-aanwijzing voor de hele sector nodig denkt te hebben, en zij niet.
En over de vraag of dat mag, bestaat geen juridische zekerheid. Van de vijf staatssteuncriteria zijn er twee betwist — het economisch voordeel en de selectiviteit — en daarover staan de landsadvocaat en Stibbe lijnrecht tegenover elkaar. Tóch besluit de minister tot de DAEB, ondanks die onenigheid. Waaróm hij dat doet, lees je in Doorpakken onder tijdsdruk: waarom de minister de landsadvocaat volgt; hoe het juridische meningsverschil precies zit, in de juridische twist tussen Stibbe en de landsadvocaat.
De vergelijking met Duitsland, Frankrijk en België leert dus niet dat Nederland een blauwdruk kan lenen — geen van de drie hoefde deze route te kiezen. Ze leert iets scherpers: Nederland is, voor zover na te gaan, het enige van deze drie buurlanden dat de kinderopvang als geheel tot DAEB aanwijst, precies omdat het als enige zo veel publiek geld zo rechtstreeks naar een zo commerciële markt wil laten stromen. De ontwikkelingen houden we bij in ons juridisch dossier.
Wil je dit dossier blijven volgen, met de verdiepende analyses over de gevolgen voor je organisatie? Die lees je in Grip+.
Wijzigingslog
- 04-10-2026 — Bronregel aangepast: een domeinnaam hoort niet in de linktekst, dus LTO.de is Legal Tribune Online geworden.
- 06-10-2026 — Verwijzing naar Grip+ toegevoegd aan het slot.
Bronnen
De juridische kern van het staatssteundebat en het juridisch dossier zijn hierboven inline gelinkt. De onderliggende bronnen voor de Europese context en de landenvergelijking:
- Europese Commissie — Services of General Economic Interest (SGEI) (geraadpleegd 12 september 2026; het staatssteunkader rond DAEB)
- Europees Parlement, 2025 — Antwoord op vraag E-002624/2025 (kinderopvang als SGEI en wanneer ze niet-economisch is)
- DJI | ICEC — Beschrijving van het Duitse ECEC-stelsel (geraadpleegd 12 september 2026; gemeentelijk, met private non-profitaanbieders)
- Bundesministerium der Justiz — Sozialgesetzbuch Achtes Buch (SGB VIII), §§ 3, 4 en 75 (geraadpleegd 15 september 2026; subsidiariteitsbeginsel en de erkenningseis voor vrije Träger, incl. commerciële aanbieders)
- Legal Tribune Online, 2024 — VG Aachen: Betriebskostenzuschuss auch für private Kindertagesstätten (uitsluiting van commerciële aanbieders in NRW's KiBiz, voorlopig oordeel: waarschijnlijk in strijd met het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel)
- Igas/Igf, januari 2024 — Micro-crèches: modèles de financement et qualité d'accueil (aandeel commerciële micro-crèches, verdeling PSU/PAJE-CMG, kostenverschil voor ouders)
- Opgroeien — Soorten subsidies en bedragen (geraadpleegd 15 september 2026; inkomenstarief versus vrije prijs, gerantsoeneerde toekenning van nieuwe subsidieplaatsen)
Volledig overzicht van alle brondocumenten in dit dossier — inclusief status en fase. Naar het Juridisch dossier 2029