Kostenprognose kinderopvang 2027
Begroting & meerjarenprognose
Kostenprognose kinderopvang 2027
Kostenprognose 2027
Onderbouwde bandbreedte van je kostenstijging · per component opgebouwd · met terugblik op de werkelijke ontwikkeling sinds 2020
Stel per kostencomponent een lage en hoge schatting in. De module weegt de loonkosten met de inflatie op de overige kosten en berekent de bandbreedte van de totale kostenstijging — laag, midden en hoog.
Voorbeeldwaarden voor je eigen prognose — vul de velden in. De CAO-overloop ligt vast in de lopende CAO en is niet aanpasbaar.
| Component | laag % | hoog % | werkelijk % |
|---|---|---|---|
| CAO – overloop vorig jaar | |||
| CAO – nieuwe CAO | |||
| waarvan CAO-maatregelen totaal | 3,5% | 5,5% | – |
| Periodieke loonsverhoging | |||
| In- en uitstroom | |||
| Inhuur / ZZP | |||
| Pensioenpremie | |||
| Sociale lasten werkgever | |||
| Totaal loonkostenontwikkeling | 3,8% | 7,0% | – |
| Inflatie overige kosten | |||
| Inflatie correctie 2026 | – |
Inflatie (HICP, CBS) en CAO zijn ingevuld met de gerealiseerde cijfers; de CAO is berekend uit de feitelijke loonafspraken + eindejaarsuitkering. De overige componenten starten op de AYIT-prognose; pas ze aan met je eigen werkelijke cijfers.
Terugblik: begroot vs werkelijk, cumulatief 2020–2026
Samengestelde kostenontwikkeling over 2020–2026. De AYIT-prognose loopt ruim 4 pp achter op de werkelijke kosten: de vooraf-raming onderschat de werkelijke ontwikkeling, vooral door de inflatiepiek van 2022. Werkelijk = gerealiseerde CAO en inflatie; bedrijfsafhankelijke componenten op AYIT-midden.
Waar zat het verschil? CAO en inflatie cumulatief 2020–2026
| Kostendrijver | AYIT laag | AYIT hoog | Werkelijk |
|---|---|---|---|
| CAO (loonkosten) | – | – | – |
| Inflatie (overige kosten) | – | – | – |
| Totale kostenontwikkeling | – | – | – |
CAO en inflatie zijn hier de losse cumulatieve effecten per kostendrijver. De totale kostenontwikkeling weegt de loonkosten (~75%) en de inflatie op overige kosten (~25%), dus de twee regels tellen niet op tot het totaal. De CAO-realisatie viel binnen de prognosebandbreedte; de inflatie werd fors onderschat – vrijwel volledig door de prijspiek van 2022.
Over deze kostenprognose
De totale kostenstijging is het gewogen gemiddelde van de loonkostenontwikkeling en de inflatie op de overige kosten. De loonkosten worden bottom-up opgebouwd uit de componenten hierboven; elke component heeft een lage en een hoge schatting, zodat de onzekerheid zichtbaar blijft. De middenwaarde is het gemiddelde van de lage en hoge uitkomst.
Vul de cijfers in op basis van de meest actuele publieke bronnen: het CPB (Macro Economische Verkenning, inflatie en CAO-lonen), de Rijksbegroting van SZW/VWS (sociale premies), PFZW (pensioenpremie) en de AWVN CAO-kijker. Voor 2027 komen de bepalende cijfers pas rond Prinsjesdag (september) beschikbaar; tot die tijd reken je met een concept of eigen aanname.
Over AYIT en deze uitbreiding
AYIT Consultancy publiceert al ruim tien jaar de jaarlijkse kostenprognose voor de kinderopvang — voor veel organisaties en voor de sector als geheel een vast ijkpunt bij het onderbouwen van het tarief. De prognose voor 2027 is op dit moment nog een concept, opgesteld door KDV Online, en wordt zo spoedig mogelijk vervangen door de cijfers van AYIT Consultancy zodra die bekend zijn.
Deze tool bouwt voort op die kostenprognoses en voegt er twee elementen aan toe: een inflatiecorrectie, die de naijling van de werkelijke inflatie ten opzichte van de eerdere raming meeneemt, en een terugblik die de begrote en de werkelijke kostenontwikkeling sinds 2020 naast elkaar zet. Zo zie je niet alleen de prognose, maar ook hoe goed die de afgelopen jaren is uitgekomen.
De overwegingen per component
Hieronder lees je per kostencomponent wat het percentage bepaalt, welke openbare bron je kunt raadplegen en waar de onzekerheid zit. Zo onderbouw of corrigeer je elke regel voor je eigen organisatie.
CAO – overloop vorig jaar
Een loonsverhoging die halverwege het vorige jaar ingaat, telt dat jaar maar deels mee, maar in het prognosejaar een vol jaar. Dat verschil is het overloopeffect: verhoging × (12 − actieve maanden) / 12. Omdat de afspraak al in de lopende CAO vastligt, is dit cijfer hard. Voor 2027 gaat het om de 1,5% per 1 september 2026: die werkt in 2027 een vol jaar door en levert 1,5% × 8/12 = 1,0% op — daarom is dit veld voor 2027 vergrendeld.
CAO – nieuwe CAO
Het effect van de loonafspraken in de CAO die voor het prognosejaar zelf gelden. Zolang die CAO nog niet is afgesloten, is dit een aanname met een brede band; raadpleeg de loonraming van het CPB (contractlonen) en sectorbronnen zoals de AWVN CAO-kijker. Houd er rekening mee dat een verhoging die pas in de loop van het jaar ingaat ook maar deels meetelt, en dat een hogere eindejaarsuitkering niet 1-op-1 doorwerkt in de totale loonkosten (het vakantiegeld stijgt niet mee). Zodra de CAO definitief is, vervang je de aanname door de harde cijfers.
De terugblik over 2020–2026 stelt gerust: de werkelijke CAO-ontwikkeling bleef binnen de prognosebandbreedte en kwam cumulatief net onder de middenwaarde uit (30,8% werkelijk tegen 32,6% midden). De middenwaarde is voor de CAO dus een betrouwbare, eerder licht voorzichtige aanname — een opwaartse buffer is hier niet nodig. Het echte risico zit in de timing: of een nieuwe CAO op tijd rond is en hoeveel ervan doorloopt naar het volgende jaar. Jaren met een loon-inhaalslag, zoals 2023, worden door de brede band goed opgevangen.
Periodieke loonsverhoging
Medewerkers die nog niet boven in hun salarisschaal zitten, krijgen jaarlijks een trede erbij. Gemiddeld komt dat op zo’n 0,8–1,3%, sterk afhankelijk van je personeelsopbouw: veel jonge medewerkers duwt het omhoog, veel medewerkers in de hoogste trede juist omlaag. In 2024 en 2025 stond deze component tijdelijk op 2,6% doordat de salarisschalen met twee treden werden verlengd; zonder zo’n afspraak valt hij terug naar het normale niveau. Bron: de CAO-salarisschalen.
In- en uitstroom
Natuurlijk verloop dempt de periodieke stijging: wie uitstroomt (vaak via pensioen) verdient gemiddeld meer dan wie instroomt. Het effect is daarom meestal licht negatief. Bij krapte op de arbeidsmarkt schuift het richting nul, omdat nieuwkomers hoger worden ingeschaald en er extra wervings- en opleidingskosten zijn. Deze component verschilt sterk per organisatie; een eigen berekening op basis van je leeftijdsopbouw is aan te raden.
Inhuur / ZZP
Het effect van inhuur en ZZP-inzet is niet generiek te voorspellen. Sinds het handhavingsmoratorium op de Wet DBA in 2025 is opgeheven, bouwen veel organisaties ZZP-inzet af. Wordt dat opgevangen door uitzendbureaus, dan stijgen de kosten; nemen organisaties mensen in dienst, dan dalen ze. Begroot deze post bij voorkeur apart en laat hem hier op PM (0) staan als je dat doet.
Pensioenpremie
Het effect van een gewijzigde PFZW-premie op de loonkosten, na de premievrije voet en het werknemersdeel. De premies worden in het najaar vastgesteld; de afgelopen jaren bleven ze stabiel en bij de overgang naar de nieuwe pensioenregeling is premieneutraliteit het uitgangspunt. Bron: PFZW — houd de jaarlijkse premiebrief en de dekkingsgraad in de gaten.
Sociale lasten werkgever
De werkgeverspremies zoals WW, Aof, Whk en Zvw. De WW-premie hangt af van je verhouding vast/flexibel personeel; de tarieven worden op Prinsjesdag in de Rijksbegroting (SZW) vastgesteld. Het effect is doorgaans klein, waarbij een lichte stijging eerder voor de hand ligt dan een daling.
Inflatie overige kosten
De overige kosten — huisvesting, energie, voeding, vervoer — bewegen mee met de inflatie. Gebruik hiervoor de meest recente raming van het CPB of DNB (HICP). Op organisatieniveau kan dit afwijken door aflopende contracten, aanbestedingen, huurontwikkeling of nieuwe regelgeving.
Juist hier leert de terugblik iets belangrijks. Over 2020–2026 raamde de prognose de inflatie cumulatief op 17,3%, terwijl het werkelijk 31,6% werd — vrijwel volledig door de prijspiek van 2022. Buiten dat ene jaar zat de raming dicht op de werkelijkheid. Het inflatierisico is dus asymmetrisch: de raming schiet zelden ver naar beneden, maar kan fors uitschieten naar boven. Verhoog daarom niet standaard je verwachting — dan begroot je elk normaal jaar te hoog — maar reken met de hoge waarde een ongunstig scenario door, als buffer voor zo’n schok.
Loongewicht (loon versus overige kosten)
De schuif bepaalt hoe zwaar de loonkosten meewegen ten opzichte van de overige kosten in het eindresultaat. Voor de sector ligt dat rond 75%, de afgelopen jaren opgelopen vanaf circa 71%. Bron: het Sectorrapport van het Waarborgfonds Kinderopvang. Wijkt jouw kostenstructuur af, pas de schuif dan aan.
Methodiek gebaseerd op de jaarlijkse kostenprognoses van AYIT Consultancy e.a. De cijfers vul je zelf in; de tool neemt geen tekst of tabellen van die rapporten over.