Ga naar de inhoud
KDV Online

Drie tot vijf procent: waarom jouw cijfers nu nodig zijn

De overheid denkt aan een plafond van 3 tot 5 procent op wat je mag overhouden. Dat raakt je pensioen, je buffer, je investeringen en je financiering. Maar niemand weet wat de sector werkelijk verdient. Met echte cijfers kan de politiek een goed besluit nemen: doe anoniem mee aan Kostprijs & rendement 2026.

Gepubliceerd 14 september 2026 Bijgewerkt 13 oktober 2026 Grip 408 gelezen
Deel artikel dit artikel

De DAEB heeft grote gevolgen voor elke kinderopvangonderneming, en vrijwel alles zit verborgen achter één getal: een maximaal rendement van 3 tot 5 procent van je omzet. Het definitieve getal moet nog worden vastgesteld.

Dat getal werkt nu al door. In een rekenvoorbeeld van overnameadviseur Match Plan halveert de waarde van een gezonde kinderopvangorganisatie: van € 2,5 miljoen vóór de aankondiging van de DAEB naar € 1,2 miljoen na de invoering. Bijna 40 procent is al weg door alleen de aankondiging.

Dat plafond raakt alles wat je met je resultaat doet:

  • je pensioen: als ondernemer bouw je dat zelf op, uit wat je overhoudt;
  • je buffer: om een slecht jaar, een lege groep of een tegenvaller op te vangen;
  • je investeringen: een nieuwe locatie, een verbouwing, betere voorzieningen;
  • je financiering: een bank kijkt naar wat je overhoudt voordat ze leent. Volgens het Sectorrapport Kinderopvang ligt die norm op minimaal 10 procent.

Als ondernemer kun je één ding doen om het debat eerlijker te maken: transparant zijn. Laat de politiek zien wat je werkelijk verdient. Alleen met echte cijfers kan de politiek een goed besluit nemen. Dat kan, geheel anoniem, in het onderzoek Kostprijs & rendement 2026.

Een gemiddelde zegt niets over jou

Het enige beeld van de sector dat er nu ligt, komt uit één rapport over 2024. Gemiddeld houden organisaties daarin 3,5 procent van hun omzet over. Maar achter dat gemiddelde zitten grote verschillen:

wat organisaties overhouden (2024)aandeel organisaties
verlies13,3%
0% tot 3%35,2%
3% tot 10%44,8%
meer dan 10%6,7%

Ruim 13 procent maakt verlies. Meer dan de helft zit op of boven de 3 procent. Een plafond wordt niet op een gemiddelde gelegd. Het wordt op jou gelegd.

En die verschillen hebben een reden. Kleine organisaties houden gemiddeld meer over dan grote: 4,4 procent tegen 2,6 procent. Vaak doordat ze verschillende soorten opvang combineren, en mogelijk door een efficiëntere bedrijfsvoering. Bij een eenmanszaak of vof is wat overblijft ook het inkomen van de ondernemer zelf. En wie meer dan 10 procent overhoudt, heeft volgens het rapport lagere personeels- én huisvestingskosten dan gemiddeld. Dezelfde winst betekent dus bij elke onderneming iets anders. Dat zie je alleen als het gemeten is.

Waar komt 3 tot 5 procent vandaan?

Niet uit een berekening van wat kinderopvang kost. Het getal komt van het Waarborgfonds Kinderopvang, dat leningen aan kinderopvangorganisaties borgt. Dat fonds noemt 3 tot 5 procent passend om een organisatie financieel sterker te maken: een minimum dus. Het ministerie heeft er een maximum van gemaakt.

Wat je minstens nodig hebt, wordt zo wat je hoogstens mag.

Voor wie het precies wil weten: de wet en de documenten

Wat de wet zegt, en waar hij ophoudt

Wordt de kinderopvang aangewezen als dienst van algemeen economisch belang, dan geldt artikel 2.32 van het wetsvoorstel. Lid 3 is de kern: je ontvangt over een periode van vijf jaar “niet meer dan een bedrag ter hoogte van de nettokosten voor de uitvoering daarvan, met inbegrip van een redelijke winst”. Lid 4 regelt wat er gebeurt als je er in de eerste vijf jaar net boven komt: is het teveel niet meer dan 10 procent van de gemiddelde jaarlijkse vergoeding, dan wordt het verrekend met de vergoeding van het volgende jaar. Wat daarboven ligt, wordt teruggevorderd.

En dan lid 5. Dáár staat dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over hoe de nettokosten en de redelijke winst worden berekend, en over de hoogte van de winst die als redelijk beschouwd wordt — die per opvangsoort kan verschillen.

Het getal staat dus niet in de wet. Het komt in een besluit dat nog niet bestaat, en dat besluit gaat ook over de vraag wat je überhaupt als kosten mag meetellen.

De landsadvocaat adviseerde op 22 januari 2026 over de staatssteunkant hiervan. In paragraaf 6.11 staat de norm:

“Verder moet de omvang van de overheidsfinanciering – eveneens uit oogpunt van evenredigheid – beperkt blijven tot de nettokosten die verbonden zijn aan de openbare dienst (met inbegrip van een redelijke winst). Dergelijke aspecten laten wij in dit advies verder buiten beschouwing.”

Die laatste zin is geen nalatigheid. De landsadvocaat is gevraagd of er een staatssteunrisico is, niet om een rekenformule. Het getal komt dus pas in het besluit dat nog wordt opgesteld.

De documenten waarin het getal staat

Het getal duikt in drie stukken op.

In een bijlage bij een Woo-besluit van 4 maart 2025 staat: “De meeste kinderopvangorganisaties maken op dit moment geen tot weinig winst. Een rendement van 3 tot 5 procent wordt als passend beschouwd voor de kinderopvangsector. In 2023 behaalde de meerderheid van de organisaties dit rendement niet. Het gemiddelde lag dat jaar op 2 procent.” Dóór wie het passend wordt beschouwd, staat in dat stuk niet. Twee maanden later wel.

In de consultatiereactie van Brancheorganisatie Kinderopvang van 27 november 2025 staat het als stand van zaken: “Op dit moment wordt door het demissionaire kabinet een redelijke winst/rendement overwogen van 3-5%.”

En het staat in het Sectorrapport Kinderopvang over de jaarcijfers 2024. Daar krijgt het wél een herkomst, en die is opmerkelijk:

“Vanuit haar borgstellingsfunctie ziet het Waarborgfonds & Kenniscentrum Kinderopvang een rendement van 3% tot 5% als voldoende. Bancair ligt de financieringsnorm op minimaal 10%.”

Twee normen in één alinea

3 tot 5 procent is wat een borgsteller genoeg vindt om risico op je te durven lopen. 10 procent is wat een bank wil zien voordat hij je financiert. Het zijn allebei normen van een geldverstrekker die wil weten of je je verplichtingen nakomt — niet normen voor wat een ondernemer mag overhouden.

En het ministerie heeft het daar inderdaad vandaan. Dat staat in twee latere nota’s uit dezelfde Woo-bundel.

Op 28 mei 2025 staat in een nota:

“Om hier invulling aan te geven zouden wij een rendementscriterium kunnen stellen. Wij denken nu aan een maximale winst van 5% (het Waarborgfonds kinderopvang schrijft in hun laatste sectorrapport dat een rendement van 3 tot 5 procent ter versterking van de financiële positie van kinderopvangorganisaties passend voor de sector is).”

En op 6 juni 2025, kenmerk 2025-0000131162, zonder haakjes:

“Wij denken nu aan een norm van 5%. Dat is gebaseerd op sectorrapporten van het Waarborgfonds kinderopvang. Daarin staat dat een rendement van 3 tot 5 procent ter versterking van de financiële positie van kinderopvangorganisaties passend voor de sector is.”

Let op de woorden van het Waarborgfonds: ter versterking van de financiële positie. Dat is een ondergrens — wat je moet overhouden om er gezonder van te worden. In de nota’s wordt daar een maximale winst van gemaakt. Wat je minstens nodig hebt, wordt wat je hoogstens mag.

Dat de norm überhaupt op tafel ligt, gaat terug op een motie die de Tweede Kamer in juni 2023 zonder tegenstem aannam; wat daarin stond en wat de Kamer tegelijk afwees, staat in Juni 2023: de Kamer vroeg unaniem om winstregulering. Hoe het plafond juridisch in de wet landt, in Kostprijs en redelijk rendement. En hoe de DAEB uit de keuze voor directe financiering volgt, in Van directe financiering naar DAEB: de lijn van 2014 tot nu.

Hoe hard die bancaire norm is, laat hetzelfde rapport zien. Afgezet tegen de reguliere financieringsnormen van 20 procent solvabiliteit én 10 procent rentabiliteit voldoet in 2024 5,7 procent van de organisaties aan beide. 72,4 procent voldoet alleen aan de solvabiliteitseis, 1,0 procent alleen aan de rentabiliteitseis, en 21,0 procent aan geen van beide.

Welke grootheid het wordt, is nog niet beslist

Er ligt nog een tweede onzekerheid, en die is groter dan de eerste. In het traject dat PwC voor het ministerie uitvoert, lag op de sessie van 8 mei 2026 een andere maatstaf op tafel. De expertwerkgroep die daarna uit dat traject stapte, schrijft in haar advies:

“Voorafgaand aan de sessie ontvingen wij een presentatie waarin onder meer een uitwerking stond van het rendement op vermogen, een onderwerp dat zo zwaar weegt dat wij ervan uitgingen dat hier een richting vanuit het ministerie achter lag.”

Rendement op vermogen is iets anders dan marge op omzet. Het eerste deelt je resultaat door wat er in de onderneming zit; het tweede door wat eruit komt. Bij een sector die huurt in plaats van bezit en waarvan ruim 72 procent van de lasten uit personeel bestaat, leveren die twee volstrekt verschillende uitkomsten op — en raken ze volstrekt verschillende bedrijven.

De DAEB is een instrument dat zijn vorm heeft gekregen in sectoren waar veel vermogen vastligt. Daar is rendement op vermogen de logische maatstaf. In de kinderopvang ligt weinig vast, en dat pleit ervoor dat het uiteindelijk de marge op omzet wordt. Sinds 21 september 2026 staat er een richting in een openbaar stuk. In de memorie van toelichting bij de versie voor de Raad van State schrijft de regering dat ze wil afwijken van de Europese norm van 3,67 procent rendement op kapitaal, in hoogte én grondslag, omdat de sector arbeidsintensief is en niet kapitaalintensief. Rendement op omzet noemt ze “uitlegbaar”. Gekozen is er nog niet: hoogte en grondslag komen in de algemene maatregel van bestuur, na een investerings- en impactanalyse. De richting is dus rendement op omzet, met 5 procent als ambtelijk werkgetal. Vastgesteld is nog niets.

Niemand weet wat de sector werkelijk verdient

Aan dat ene rapport deed maar een deel van de sector mee: 166 organisaties, samen ongeveer de helft van de kindplaatsen. Elke organisatie telt even zwaar, of het nu een gastouderbureau is of een organisatie met dertig vestigingen. Het ministerie rekent zelfs nog met 2 procent, een cijfer over 2023. Waarom de stap van 2 naar 5 procent minder ruim is dan hij lijkt, lees je in De overheid rekent met 2 procent en biedt 5.

Toch wordt op basis daarvan een grens vastgesteld die straks voor iedereen geldt. Daarom meten we het zelf, over de volle breedte van de sector.

Wat ik zelf heb gezien

Ik heb in de afgelopen jaren meer dan veertig winst- en verliesrekeningen van kinderopvangorganisaties gezien. Wat ik daar zag — resultaat ten opzichte van de omzet, dezelfde grootheid als in het Sectorrapport — lag structureel hoger dan 3 procent, en in een aantal gevallen een veelvoud daarvan.

Dat kan ik niet aantonen. Die cijfers zijn niet van mij, ze zijn vertrouwelijk, en het zijn er veertig en geen zevenhonderd. Ik zet het hier neer als wat het is: mijn waarneming, en de reden dat ik het niet op zijn beloop laat.

Jeroen Pernot

Ook als je goed verdient, wil je meedoen

Houd je ruim meer dan 3 procent over, dan is de twijfel begrijpelijk: lok ik met mijn cijfers geen strengere regels uit?

Het omgekeerde is het risico. Zonder meting blijft er één getal over, en wordt jouw winst beoordeeld alsof je elke andere organisatie bent. Met een meting wordt zichtbaar waar verschillen vandaan komen: je omvang, je huisvesting, je eigen inkomen als ondernemer. Wat de politiek met de uitkomst doet, kunnen wij niet beloven. Wel dat het gesprek dan over echte cijfers gaat.

Ook de minister zegt dat winst nodig is. In het commissiedebat van 25 juni 2026 noemde minister Van Aartsen zichzelf “de grootste kapitalist in deze zaal” en zei hij dat er in de kinderopvang “een lekker dikbelegde boterham” verdiend mag blijven worden. Wat hij verder over winst en ondernemerschap zei, lees je in De bril van minister Van Aartsen.

Maar de overheid gaat uit van te dunne informatie, en daarop worden hele grote beslissingen genomen. Dat heeft zware gevolgen voor jou en voor de hele branche.

Ben je tegen de DAEB, zoals het initiatief STOP DAEB? Dan heb je de cijfers net zo hard nodig. Een maatregel als de DAEB moet in verhouding staan tot het probleem dat hij oplost. Dat kun je alleen laten zien met cijfers. Zonder meting is het een mening tegen een mening.

Wat we met de uitkomsten doen

Op dinsdag 8 december 2026 verschijnt het onderzoeksrapport. We leggen de uitkomsten naast het Tariefonderzoek 2026, waarin we de tarieven van ruim dertienduizend locaties hebben verzameld. Dan staat voor het eerst naast elkaar wat ouders betalen, wat kinderopvang kost en wat er overblijft, per regio, omvang en rechtsvorm. Het rapport gaat naar alle Kamerfracties, de commissie SZW en het ministerie van SZW.

Dat werkt. In 2022 hielden we een enquête onder ruim zevenhonderd organisaties naar de tariefsverhoging voor 2023. Een dag na het bericht bij RTL Nieuws stond het onderwerp in de Tweede Kamer, en zes weken later verhoogde het kabinet de maximum uurprijzen. Lees wat er toen gebeurde.

Jij krijgt het rapport ook, gratis. En wil je weten waar je zelf staat, naast organisaties die op de jouwe lijken? Dat zie je met Mijn positie in Grip+.

Tel mee: doe mee aan Kostprijs & rendement 2026

De overheid rekent nu met 2 procent, gemeten over 2023. Met jouw cijfers wordt dat beeld getoetst en actueel gemaakt.

  • Wanneer: aanleveren kan van 19 oktober (in de loop van de dag) tot 16 november 2026 12:00 uur.
  • Wat je aanlevert: je bestaande jaarcijfers, als Excel, PDF of Auditfile Financieel, en een paar vragen over je organisatie en je plannen. Niets hoeft te worden overgetypt.
  • Je privacy: wat jij aanlevert, gaat versleuteld de Kluis in. De code blijft bij jou; een gesloten Kluis kan niemand openen, ook KDV Online niet.
  • Kosten: geen. Meedoen verplicht je tot niets.

Doe mee aan het onderzoek

Wijzigingslog
  • 11-09-2026 — Eerste publicatie.
  • 04-10-2026 — De vraag door wie 3 tot 5 procent “passend” wordt beschouwd, is beantwoord. In twee nota’s uit Woo-deelbesluit I (28 mei en 6 juni 2025) herleidt het ministerie de norm van 5% zelf tot de sectorrapporten van het Waarborgfonds. De eerdere mededeling dat die herleiding in geen stuk staat, is daarmee vervallen. Doorlinken toegevoegd.
  • 04-10-2026 — Doorlink toegevoegd naar het artikel over de unanieme motie van juni 2023, nu dat gepubliceerd is.
  • 04-10-2026 — Bronregel aangepast: de domeinnaam en de toelichting stonden binnen de linktekst.
  • 06-10-2026 — Tekst neutraler geformuleerd.
  • 07-10-2026 — Bijgewerkt naar de versie van het wetsvoorstel die op 21 september 2026 naar de Raad van State ging: artikel 2.28 is artikel 2.32, met de leden en de verrekenregel van die versie. Toegevoegd wat de memorie van toelichting zegt over de grondslag (rendement op omzet “uitlegbaar”). Melding bovenaan.
  • 09-10-2026 — Het gemiddelde waarmee het ministerie rekent (2 procent over 2023, Woo-bijlage van 4 maart 2025) staat nu vooraan. Het gemiddelde van 3,5 procent over 2024 staat ernaast.
  • 13-10-2026 — Artikel herschreven in gewone taal en opnieuw geordend: eerst wat een plafond van 3 tot 5 procent voor een onderneming betekent, daarna de spreiding achter het gemiddelde, de herkomst van het getal en wat er in het beeld ontbreekt. De wet en de documenten staan in een uitklapblok. Feiten, cijfers en citaten ongewijzigd.
  • 13-10-2026 — Opening aangevuld met het rekenvoorbeeld van Match Plan over de waarde van een kinderopvangorganisatie voor en na de DAEB; bron toegevoegd.
  • 13-10-2026 — Bij het verschil tussen kleine en grote organisaties twee mogelijke verklaringen toegevoegd: een combinatie van opvangsoorten en een efficiëntere bedrijfsvoering.
  • 13-10-2026 — Uitspraken van minister Van Aartsen over winst uit het commissiedebat van 25 juni 2026 toegevoegd, met verwijzing naar de analyse van dat debat.
Bronnen

Elk cijfer in dit stuk is terug te voeren op een openbaar document. De vindplaatsen staan hieronder; het volledige overzicht van wetgevingsstukken houden wij bij in het juridisch dossier.

Eén passage berust niet op een document. Het kader Wat ik zelf heb gezien is een waarneming van Jeroen Pernot op basis van winst- en verliesrekeningen die hem vertrouwelijk onder ogen kwamen. Die cijfers zijn niet openbaar en niet na te lopen; dat staat in het kader zelf ook zo.

Volledig overzicht van alle brondocumenten in dit dossier — inclusief status en fase. Naar het Juridisch dossier 2029

Deel artikel dit artikel

Zorgvuldig samengesteld — gecontroleerd door Jeroen Pernot, en open voor jouw kennis. Lees onze redactionele afspraken.

Ontdek meer DAEB-artikelen Meer artikelen