Ga naar de inhoud
KDV Online

Drie tot vijf procent: waar dat getal vandaan komt, en wie er nu al boven zit

Het rendement waarop de kinderopvang straks wordt afgerekend, staat in geen enkele wet. Het staat in drie documenten als dezelfde marge: 3 tot 5 procent. In één van die drie is het geen ondernemersnorm maar de norm van een borgsteller — en de bank in datzelfde rapport vraagt 10 procent. Waarom het ministerie rekent met 2 procent, wat het nieuwere gemiddelde van 3,5 procent verbergt, en waarom niemand weet of het klopt.

Gepubliceerd 14 september 2026 Bijgewerkt 9 oktober 2026 Grip 259 gelezen
Deel artikel dit artikel

Bijgewerkt 7 oktober 2026. Op 21 september 2026 is het wetsvoorstel in een nieuwe versie naar de Raad van State gestuurd. De artikelnummers in dit stuk volgen nu die versie. En de memorie van toelichting zegt voor het eerst iets over de grondslag van de redelijke winst: zie Welke grootheid het wordt.

Het getal waarop je straks wordt afgerekend is 3 tot 5 procent. In het wetsvoorstel staat het niet: de hoogte komt in een algemene maatregel van bestuur die nog wordt voorbereid. Het getal staat wel in drie documenten, en dit stuk loopt die na.

Het ministerie zelf gaat uit van een gemiddeld rendement van 2 procent: zo staat het in de Woo-stukken, over 2023. Dat is het getal dat wij met Kostprijs & rendement 2026 willen corrigeren. Dit stuk laat zien waar 3 tot 5 procent vandaan komt, wat die 2 procent en het nieuwere gemiddelde van 3,5 procent wel en niet zeggen, en waarom wij zelf zijn gaan meten.

Wat de wet zegt, en waar hij ophoudt

Wordt de kinderopvang aangewezen als dienst van algemeen economisch belang, dan geldt artikel 2.32 van het wetsvoorstel. Lid 3 is de kern: je ontvangt over een periode van vijf jaar “niet meer dan een bedrag ter hoogte van de nettokosten voor de uitvoering daarvan, met inbegrip van een redelijke winst”. Lid 4 regelt wat er gebeurt als je er in de eerste vijf jaar net boven komt: is het teveel niet meer dan 10 procent van de gemiddelde jaarlijkse vergoeding, dan wordt het verrekend met de vergoeding van het volgende jaar. Wat daarboven ligt, wordt teruggevorderd.

En dan lid 5. Dáár staat dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over hoe de nettokosten en de redelijke winst worden berekend, en over de hoogte van de winst die als redelijk beschouwd wordt — die per opvangsoort kan verschillen.

Het getal staat dus niet in de wet. Het komt in een besluit dat nog niet bestaat, en dat besluit gaat ook over de vraag wat je überhaupt als kosten mag meetellen.

De landsadvocaat adviseerde op 22 januari 2026 over de staatssteunkant hiervan. In paragraaf 6.11 staat de norm:

“Verder moet de omvang van de overheidsfinanciering – eveneens uit oogpunt van evenredigheid – beperkt blijven tot de nettokosten die verbonden zijn aan de openbare dienst (met inbegrip van een redelijke winst). Dergelijke aspecten laten wij in dit advies verder buiten beschouwing.”

Die laatste zin is geen nalatigheid. De landsadvocaat is gevraagd of er een staatssteunrisico is, niet om een rekenformule. Het getal komt dus pas in het besluit dat nog wordt opgesteld.

Waar 3 tot 5 procent vandaan komt

Het getal duikt in drie stukken op.

In een bijlage bij een Woo-besluit van 4 maart 2025 staat: “De meeste kinderopvangorganisaties maken op dit moment geen tot weinig winst. Een rendement van 3 tot 5 procent wordt als passend beschouwd voor de kinderopvangsector. In 2023 behaalde de meerderheid van de organisaties dit rendement niet. Het gemiddelde lag dat jaar op 2 procent.” Dóór wie het passend wordt beschouwd, staat in dat stuk niet. Twee maanden later wel.

In de consultatiereactie van Brancheorganisatie Kinderopvang van 27 november 2025 staat het als stand van zaken: “Op dit moment wordt door het demissionaire kabinet een redelijke winst/rendement overwogen van 3-5%.”

En het staat in het Sectorrapport Kinderopvang over de jaarcijfers 2024. Daar krijgt het wél een herkomst, en die is opmerkelijk:

“Vanuit haar borgstellingsfunctie ziet het Waarborgfonds & Kenniscentrum Kinderopvang een rendement van 3% tot 5% als voldoende. Bancair ligt de financieringsnorm op minimaal 10%.”

Twee normen in één alinea

3 tot 5 procent is wat een borgsteller genoeg vindt om risico op je te durven lopen. 10 procent is wat een bank wil zien voordat hij je financiert. Het zijn allebei normen van een geldverstrekker die wil weten of je je verplichtingen nakomt — niet normen voor wat een ondernemer mag overhouden.

En het ministerie heeft het daar inderdaad vandaan. Dat staat in twee latere nota’s uit dezelfde Woo-bundel.

Op 28 mei 2025 staat in een nota:

“Om hier invulling aan te geven zouden wij een rendementscriterium kunnen stellen. Wij denken nu aan een maximale winst van 5% (het Waarborgfonds kinderopvang schrijft in hun laatste sectorrapport dat een rendement van 3 tot 5 procent ter versterking van de financiële positie van kinderopvangorganisaties passend voor de sector is).”

En op 6 juni 2025, kenmerk 2025-0000131162, zonder haakjes:

“Wij denken nu aan een norm van 5%. Dat is gebaseerd op sectorrapporten van het Waarborgfonds kinderopvang. Daarin staat dat een rendement van 3 tot 5 procent ter versterking van de financiële positie van kinderopvangorganisaties passend voor de sector is.”

Let op de woorden van het Waarborgfonds: ter versterking van de financiële positie. Dat is een ondergrens — wat je moet overhouden om er gezonder van te worden. In de nota’s wordt daar een maximale winst van gemaakt. Wat je minstens nodig hebt, wordt wat je hoogstens mag.

Dat de norm überhaupt op tafel ligt, gaat terug op een motie die de Tweede Kamer in juni 2023 zonder tegenstem aannam; wat daarin stond en wat de Kamer tegelijk afwees, staat in Juni 2023: de Kamer vroeg unaniem om winstregulering. Hoe het plafond juridisch in de wet landt, in Kostprijs en redelijk rendement. En hoe de DAEB uit de keuze voor directe financiering volgt, in Van directe financiering naar DAEB: de lijn van 2014 tot nu.

Hoe hard die bancaire norm is, laat hetzelfde rapport zien. Afgezet tegen de reguliere financieringsnormen van 20 procent solvabiliteit én 10 procent rentabiliteit voldoet in 2024 5,7 procent van de organisaties aan beide. 72,4 procent voldoet alleen aan de solvabiliteitseis, 1,0 procent alleen aan de rentabiliteitseis, en 21,0 procent aan geen van beide.

Wat het gemiddelde van 3,5 procent verbergt

Het kengetal rentabiliteit over 2024 is 3,5 procent, anderhalf procentpunt hoger dan de 2 procent over 2023 waarmee het ministerie rekent. Het rapport definieert dat onomwonden: “De rentabiliteit geeft het verband weer tussen het financiële resultaat van de organisatie en de omzet.” Resultaat gedeeld door omzet. Een marge, geen rendement op wat je erin hebt zitten.

En dan de spreiding, over dezelfde groep:

rentabiliteit 2024aandeel organisaties
lager dan 0%13,3%
0% tot 3%35,2%
3% tot 10%44,8%
hoger dan 10%6,7%

Meer dan de helft van de deelnemers zit op of boven de 3 procent die als passend wordt beschouwd. Bijna 45 procent zit tussen 3 en 10 procent. Nog eens 6,7 procent zit erboven. Het gemiddelde van 3,5 procent ligt daar middenin en zegt over geen van beide helften iets.

Een plafond wordt niet op een gemiddelde gelegd. Het wordt op jou gelegd. En de vraag is dus niet of de sector gemiddeld 3,5 procent haalt, maar aan welke kant van die streep jij staat.

Nog drie dingen uit hetzelfde rapport

Klein verdient beter dan groot. Organisaties met minder dan € 5 miljoen omzet komen op 4,4 procent, die met € 30 miljoen en meer op 2,6 procent. In de kleinste omzetklasse is de spreiding het grootst: daar zitten organisaties met een negatief resultaat én organisaties boven de 20 procent.

De rechtsvorm doet ertoe. Eenmanszaak en VOF komen op 7,4 procent, de BV op 3,2 procent, de stichting op 3,3 procent. Bij eenmanszaak en VOF rekent het rapport de privéonttrekkingen mee als personeelslasten — die 7,4 procent is dus wat er overblijft nádat de ondernemer zichzelf heeft betaald.

Wie boven de 10 procent zit, doet één ding anders. Het rapport: “Bij alle organisaties met een rentabiliteit >10% zijn zowel de personeelskosten als de huisvestingskosten lager dan het sectorgemiddelde.”

Welke grootheid het wordt, is nog niet beslist

Er ligt nog een tweede onzekerheid, en die is groter dan de eerste. In het traject dat PwC voor het ministerie uitvoert, lag op de sessie van 8 mei 2026 een andere maatstaf op tafel. De expertwerkgroep die daarna uit dat traject stapte, schrijft in haar advies:

“Voorafgaand aan de sessie ontvingen wij een presentatie waarin onder meer een uitwerking stond van het rendement op vermogen, een onderwerp dat zo zwaar weegt dat wij ervan uitgingen dat hier een richting vanuit het ministerie achter lag.”

Rendement op vermogen is iets anders dan marge op omzet. Het eerste deelt je resultaat door wat er in de onderneming zit; het tweede door wat eruit komt. Bij een sector die huurt in plaats van bezit en waarvan ruim 72 procent van de lasten uit personeel bestaat, leveren die twee volstrekt verschillende uitkomsten op — en raken ze volstrekt verschillende bedrijven.

De DAEB is een instrument dat zijn vorm heeft gekregen in sectoren waar veel vermogen vastligt. Daar is rendement op vermogen de logische maatstaf. In de kinderopvang ligt weinig vast, en dat pleit ervoor dat het uiteindelijk de marge op omzet wordt. Sinds 21 september 2026 staat er een richting in een openbaar stuk. In de memorie van toelichting bij de versie voor de Raad van State schrijft de regering dat ze wil afwijken van de Europese norm van 3,67 procent rendement op kapitaal, in hoogte én grondslag, omdat de sector arbeidsintensief is en niet kapitaalintensief. Rendement op omzet noemt ze “uitlegbaar”. Gekozen is er nog niet: hoogte en grondslag komen in de algemene maatregel van bestuur, na een investerings- en impactanalyse. De richting is dus rendement op omzet, met 5 procent als ambtelijk werkgetal. Vastgesteld is nog niets.

En dit is wat niemand heeft

Aan het Sectorrapport 2024 deden 166 organisaties mee, samen goed voor 51,1 procent van de kindplaatsen in Nederland. Deelname is vrijwillig. De kengetallen worden berekend als het gemiddelde van de individuele kengetallen, “waardoor de omvang van een organisatie geen rol speelt” — een gastouderbureau telt dus even zwaar mee als een organisatie met dertig vestigingen.

Dat is geen kritiek op dat rapport. Het doet precies wat het belooft: het brengt in kaart wie er meedoet. Maar het is iets anders dan een meting van de sector. En het is het enige wat er ligt.

De redelijke winst wordt dus vastgelegd op een grootheid die nog niet vaststaat, vanuit een uitgangspunt van 5 procent dat is gebaseerd op een borgstellingsnorm, voor een sector waarvan de helft niet in het sectorrapport zit.

Wat ik zelf heb gezien

Ik heb in de afgelopen jaren meer dan veertig winst- en verliesrekeningen van kinderopvangorganisaties gezien. Wat ik daar zag — resultaat ten opzichte van de omzet, dezelfde grootheid als in het Sectorrapport — lag structureel hoger dan 3 procent, en in een aantal gevallen een veelvoud daarvan.

Dat kan ik niet aantonen. Die cijfers zijn niet van mij, ze zijn vertrouwelijk, en het zijn er veertig en geen zevenhonderd. Ik zet het hier neer als wat het is: mijn waarneming, en de reden dat ik het niet op zijn beloop laat.

Jeroen Pernot

Waarom ook wie tegen de DAEB is de meting nodig heeft

In september 2025 startten kinderopvangorganisaties het initiatief STOP DAEB, met een brief aan staatssecretaris Nobel. De kern van dat verweer: “Kinderopvang in Nederland functioneert goed en verdient versterking, niet verzwakking”, en een DAEB is “een onnodige noodmaatregel die de kinderopvang op slot zet”. Brancheorganisatie Kinderopvang stapte later uit het DAEB-overleg met het ministerie. De expertwerkgroep stapte uit het PwC-traject.

Dat verweer draait om één woord, en het is hetzelfde woord dat de landsadvocaat twee keer gebruikt: evenredigheid. De omvang van de DAEB moet evenredig zijn aan een reële behoefte, schrijft hij, en anders kan dat “een kennelijke beoordelingsfout” opleveren. De overheidsfinanciering moet evenredig zijn aan de nettokosten.

Een evenredigheidstoets zonder cijfers is geen toets.

Daarom is dit geen keuze tussen meedoen en je verzetten. Zit de sector rond de 3 procent, dan laat een meting dat zien, en dat is ook een sterk argument voor wie tegen de DAEB is. Zit de sector hoger, dan wil je dat zelf weten vóór het ministerie het uitrekent en vóór er een AMvB ligt.

In beide gevallen geldt hetzelfde: wie meet, bepaalt waar het gesprek over gaat. Dat is precies wat in 2022 gebeurde met de tarieven, en het werkte.

Wil je weten waar je zelf staat voordat het ministerie het uitrekent? Mijn positie in Grip+ zet je rendement, solvabiliteit en liquiditeit naast vergelijkbare organisaties, met je eigen jaarcijfers.

Daarom doen we Kostprijs & rendement 2026

De overheid gaat uit van een gemiddeld rendement van 2 procent, gemeten over 2023. Grote beslissingen rusten zo op verouderde cijfers. Dit onderzoek van de Kinderopvang Atlas is actueel: het gebruikt jaarcijfers over 2024, 2025 en 2026, en brengt in kaart wat er werkelijk wordt verdiend, in dezelfde grootheid waarin het straks wordt genormeerd. Wat openbaar is, blijft openbaar. Wat jij zelf aanlevert, gaat versleuteld de kluis in: de code blijft bij jou, wij kunnen er niet bij.

Meedoen kost je niets. Aanleveren kan van 13 oktober tot en met 10 november 2026. Op 8 december 2026 ontvang je het rapport zelf ook, en gaat het naar alle Kamerfracties, de commissie SZW en het ministerie van SZW.

Doe mee aan het onderzoek In gesprek

Wijzigingslog
  • 11-09-2026 — Eerste publicatie.
  • 04-10-2026 — De vraag door wie 3 tot 5 procent “passend” wordt beschouwd, is beantwoord. In twee nota’s uit Woo-deelbesluit I (28 mei en 6 juni 2025) herleidt het ministerie de norm van 5% zelf tot de sectorrapporten van het Waarborgfonds. De eerdere mededeling dat die herleiding in geen stuk staat, is daarmee vervallen. Doorlinken toegevoegd.
  • 04-10-2026 — Doorlink toegevoegd naar het artikel over de unanieme motie van juni 2023, nu dat gepubliceerd is.
  • 04-10-2026 — Bronregel aangepast: de domeinnaam en de toelichting stonden binnen de linktekst.
  • 05-10-2026 — Het onderzoek heet voortaan Kostprijs & rendement 2026. Deelnemers ontvangen op 1 december 2026 het onderzoeksrapport (eerder stond er: resultaten in november). Je eigen positie vergelijken doe je in Grip+.
  • 06-10-2026 — Tekst neutraler geformuleerd, slot gericht op deelname aan het onderzoek Kostprijs & rendement 2026.
  • 07-10-2026 — Bijgewerkt naar de versie van het wetsvoorstel die op 21 september 2026 naar de Raad van State ging: artikel 2.28 is artikel 2.32, met de leden en de verrekenregel van die versie. Toegevoegd wat de memorie van toelichting zegt over de grondslag (rendement op omzet “uitlegbaar”). Melding bovenaan.
  • 07-10-2026 — Het onderzoeksrapport verschijnt op 8 december 2026; in een eerdere regel hierboven stond 1 december.
  • 08-10-2026 — Onderzoeksbrug: de zin over het ontvangen van het rapport vervangen door de verspreiding naar Kamerfracties, commissie SZW en het ministerie.
  • 08-10-2026 — Toollink: kort verwijzing naar Mijn positie (Grip+) toegevoegd vóór het onderzoeksblok.
  • 09-10-2026 — Het gemiddelde waarmee het ministerie rekent (2 procent over 2023, Woo-bijlage van 4 maart 2025) staat nu vooraan, als het getal dat Kostprijs & rendement 2026 wil corrigeren. Het gemiddelde van 3,5 procent over 2024 staat ernaast. In het onderzoeksblok: de overheid rekent met cijfers over 2023, het onderzoek met jaarcijfers over 2024, 2025 en 2026.
Bronnen

Elk cijfer in dit stuk is terug te voeren op een openbaar document. De vindplaatsen staan hieronder; het volledige overzicht van wetgevingsstukken houden wij bij in het juridisch dossier.

Eén passage berust niet op een document. Het kader Wat ik zelf heb gezien is een waarneming van Jeroen Pernot op basis van winst- en verliesrekeningen die hem vertrouwelijk onder ogen kwamen. Die cijfers zijn niet openbaar en niet na te lopen; dat staat in het kader zelf ook zo.

Volledig overzicht van alle brondocumenten in dit dossier — inclusief status en fase. Naar het Juridisch dossier 2029

Deel artikel dit artikel

Zorgvuldig samengesteld — gecontroleerd door Jeroen Pernot, en open voor jouw kennis. Lees onze redactionele afspraken.

Ontdek meer DAEB-artikelen Meer artikelen