Ga naar de inhoud
KDV Online

Drie tot vijf procent: waar dat getal vandaan komt, en wie er nu al boven zit

Het rendement waarop de kinderopvang straks wordt afgerekend, staat in geen enkele wet. Het staat in drie documenten als dezelfde marge: 3 tot 5 procent. In één van die drie is het geen ondernemersnorm maar de norm van een borgsteller — en de bank in datzelfde rapport vraagt 10 procent. Wat het gemiddelde van 3,5 procent verbergt, en waarom niemand weet of het klopt.

Gepubliceerd 11 september 2026 Grip
Deel artikel dit artikel

Het getal waarop je straks wordt afgerekend is 3 tot 5 procent. Het staat in geen enkele wet. Het staat in geen enkele algemene maatregel van bestuur, want die is niet geschreven. Het staat in drie documenten, en in geen daarvan wordt uitgelegd waar het vandaan komt.

Dit stuk loopt die drie documenten na, laat zien wat het sectorgemiddelde van 3,5 procent verbergt, en eindigt bij de reden dat wij zelf zijn gaan meten.

Wat de wet zegt, en waar hij ophoudt

Wordt de kinderopvang aangewezen als dienst van algemeen economisch belang, dan geldt artikel 2.28 van het wetsvoorstel. Lid 2 is de kern: je ontvangt “niet meer dan de nettokosten van die werkzaamheden, vermeerderd met een redelijke winst”. Lid 3 regelt wat er gebeurt als je er toch boven komt: het meerdere wordt teruggevorderd, of — als het niet meer is dan 10 procent van je jaarvergoeding — verrekend met wat je nog krijgt.

En dan lid 4. Dáár staat dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over hoe de nettokosten en de redelijke winst worden berekend, en over de hoogte van de winst die als redelijk beschouwd wordt — die per opvangsoort kan verschillen.

Het getal staat dus niet in de wet. Het komt in een besluit dat nog niet bestaat, en dat besluit gaat ook over de vraag wat je überhaupt als kosten mag meetellen.

De landsadvocaat adviseerde op 22 januari 2026 over de staatssteunkant hiervan. In paragraaf 6.11 staat de norm:

“Verder moet de omvang van de overheidsfinanciering – eveneens uit oogpunt van evenredigheid – beperkt blijven tot de nettokosten die verbonden zijn aan de openbare dienst (met inbegrip van een redelijke winst). Dergelijke aspecten laten wij in dit advies verder buiten beschouwing.”

Die laatste zin is geen nalatigheid. De landsadvocaat is gevraagd of er een staatssteunrisico is, niet om een rekenformule. Maar het betekent wel dat je de keten kunt aflopen — wet, advies, toelichting — en dat niemand onderaan die keten een getal neerlegt.

Waar 3 tot 5 procent vandaan komt

Het getal duikt in drie stukken op.

In een bijlage bij een Woo-besluit van 4 maart 2025 staat: “De meeste kinderopvangorganisaties maken op dit moment geen tot weinig winst. Een rendement van 3 tot 5 procent wordt als passend beschouwd voor de kinderopvangsector. In 2023 behaalde de meerderheid van de organisaties dit rendement niet. Het gemiddelde lag dat jaar op 2 procent.” Door wie het passend wordt beschouwd, staat er niet bij.

In de consultatiereactie van Brancheorganisatie Kinderopvang van 27 november 2025 staat het als stand van zaken: “Op dit moment wordt door het demissionaire kabinet een redelijke winst/rendement overwogen van 3-5%.”

En het staat in het Sectorrapport Kinderopvang over de jaarcijfers 2024. Daar krijgt het wél een herkomst, en die is opmerkelijk:

“Vanuit haar borgstellingsfunctie ziet het Waarborgfonds & Kenniscentrum Kinderopvang een rendement van 3% tot 5% als voldoende. Bancair ligt de financieringsnorm op minimaal 10%.”

Twee normen in één alinea

3 tot 5 procent is wat een borgsteller genoeg vindt om risico op je te durven lopen. 10 procent is wat een bank wil zien voordat hij je financiert. Het zijn allebei normen van een geldverstrekker die wil weten of je je verplichtingen nakomt — niet normen voor wat een ondernemer mag overhouden.

Of het ministerie zijn 3 tot 5 procent van het Waarborgfonds heeft overgenomen, staat in geen enkel stuk. Wat er staat is dat dezelfde marge in beide documenten voorkomt.

Hoe hard die bancaire norm is, laat hetzelfde rapport zien. Afgezet tegen de reguliere financieringsnormen van 20 procent solvabiliteit én 10 procent rentabiliteit voldoet in 2024 5,7 procent van de organisaties aan beide. 72,4 procent voldoet alleen aan de solvabiliteitseis, 1,0 procent alleen aan de rentabiliteitseis, en 21,0 procent aan geen van beide.

Wat het gemiddelde van 3,5 procent verbergt

Het kengetal rentabiliteit over 2024 is 3,5 procent. Het rapport definieert dat onomwonden: “De rentabiliteit geeft het verband weer tussen het financiële resultaat van de organisatie en de omzet.” Resultaat gedeeld door omzet. Een marge, geen rendement op wat je erin hebt zitten.

En dan de spreiding, over dezelfde groep:

rentabiliteit 2024aandeel organisaties
lager dan 0%13,3%
0% tot 3%35,2%
3% tot 10%44,8%
hoger dan 10%6,7%

Meer dan de helft van de deelnemers zit op of boven de 3 procent die als passend wordt beschouwd. Bijna 45 procent zit tussen 3 en 10 procent. Nog eens 6,7 procent zit erboven. Het gemiddelde van 3,5 procent ligt daar middenin en zegt over geen van beide helften iets.

Een plafond wordt niet op een gemiddelde gelegd. Het wordt op jou gelegd. En de vraag is dus niet of de sector gemiddeld 3,5 procent haalt, maar aan welke kant van die streep jij staat.

Nog drie dingen uit hetzelfde rapport

Klein verdient beter dan groot. Organisaties met minder dan € 5 miljoen omzet komen op 4,4 procent, die met € 30 miljoen en meer op 2,6 procent. In de kleinste omzetklasse is de spreiding het grootst: daar zitten organisaties met een negatief resultaat én organisaties boven de 20 procent.

De rechtsvorm doet ertoe. Eenmanszaak en VOF komen op 7,4 procent, de BV op 3,2 procent, de stichting op 3,3 procent. Bij eenmanszaak en VOF rekent het rapport de privéonttrekkingen mee als personeelslasten — die 7,4 procent is dus wat er overblijft nádat de ondernemer zichzelf heeft betaald.

Wie boven de 10 procent zit, doet één ding anders. Het rapport: “Bij alle organisaties met een rentabiliteit >10% zijn zowel de personeelskosten als de huisvestingskosten lager dan het sectorgemiddelde.”

Welke grootheid het wordt, is nog niet beslist

Er ligt nog een tweede onzekerheid, en die is groter dan de eerste. In het traject dat PwC voor het ministerie uitvoert, lag op de sessie van 8 mei 2026 een andere maatstaf op tafel. De expertwerkgroep die daarna uit dat traject stapte, schrijft in haar advies:

“Voorafgaand aan de sessie ontvingen wij een presentatie waarin onder meer een uitwerking stond van het rendement op vermogen, een onderwerp dat zo zwaar weegt dat wij ervan uitgingen dat hier een richting vanuit het ministerie achter lag.”

Rendement op vermogen is iets anders dan marge op omzet. Het eerste deelt je resultaat door wat er in de onderneming zit; het tweede door wat eruit komt. Bij een sector die huurt in plaats van bezit en waarvan ruim 72 procent van de lasten uit personeel bestaat, leveren die twee volstrekt verschillende uitkomsten op — en raken ze volstrekt verschillende bedrijven.

De DAEB is een instrument dat zijn vorm heeft gekregen in sectoren waar veel vermogen vastligt. Daar is rendement op vermogen de logische maatstaf. In de kinderopvang ligt weinig vast, en dat pleit ervoor dat het uiteindelijk de marge op omzet wordt. Maar in geen enkel openbaar stuk staat die keuze gemaakt.

En dit is wat niemand heeft

Aan het Sectorrapport 2024 deden 166 organisaties mee, samen goed voor 51,1 procent van de kindplaatsen in Nederland. Deelname is vrijwillig. De kengetallen worden berekend als het gemiddelde van de individuele kengetallen, “waardoor de omvang van een organisatie geen rol speelt” — een gastouderbureau telt dus even zwaar mee als een organisatie met dertig vestigingen.

Dat is geen kritiek op dat rapport. Het doet precies wat het belooft: het brengt in kaart wie er meedoet. Maar het is iets anders dan een meting van de sector. En het is het enige wat er ligt.

Er wordt dus een plafond voorbereid op een grootheid die nog niet vaststaat, op een hoogte die uit een borgstellingsnorm lijkt te komen, voor een sector waarvan de helft niet is gemeten.

Wat ik zelf heb gezien

Ik heb in de afgelopen jaren meer dan veertig winst- en verliesrekeningen van kinderopvangorganisaties gezien. Wat ik daar zag — resultaat ten opzichte van de omzet, dezelfde grootheid als in het Sectorrapport — lag structureel hoger dan 3 procent, en in een aantal gevallen een veelvoud daarvan.

Dat kan ik niet aantonen. Die cijfers zijn niet van mij, ze zijn vertrouwelijk, en het zijn er veertig en geen zevenhonderd. Ik zet het hier neer als wat het is: mijn waarneming, en de reden dat ik het niet op zijn beloop laat.

Jeroen Pernot

Waarom ook wie tegen de DAEB is de meting nodig heeft

In september 2025 startten kinderopvangorganisaties het initiatief STOP DAEB, met een brief aan staatssecretaris Nobel. De kern van dat verweer: “Kinderopvang in Nederland functioneert goed en verdient versterking, niet verzwakking”, en een DAEB is “een onnodige noodmaatregel die de kinderopvang op slot zet”. Brancheorganisatie Kinderopvang stapte later uit het DAEB-overleg met het ministerie. De expertwerkgroep stapte uit het PwC-traject.

Dat verweer draait om één woord, en het is hetzelfde woord dat de landsadvocaat twee keer gebruikt: evenredigheid. De omvang van de DAEB moet evenredig zijn aan een reële behoefte, schrijft hij, en anders kan dat “een kennelijke beoordelingsfout” opleveren. De overheidsfinanciering moet evenredig zijn aan de nettokosten.

Een evenredigheidstoets zonder cijfers is geen toets.

Daarom is dit geen keuze tussen meedoen en je verzetten. Zit de sector werkelijk rond de 3 procent, dan is een rendementsplafond een oplossing voor een probleem dat niet bestaat — en dan is een meting het sterkste argument dat de tegenstanders van de DAEB ooit in handen krijgen. Zit de sector hoger, dan wil je dat zelf weten vóór het ministerie het uitrekent en vóór er een AMvB ligt waar je niets meer aan verandert.

In beide gevallen geldt hetzelfde: wie meet, bepaalt waar het gesprek over gaat. Dat is precies wat in 2022 gebeurde met de tarieven, en het werkte.

Daarom doen we de nulmeting

De Kinderopvang Atlas brengt in kaart wat er werkelijk wordt verdiend, in dezelfde grootheid waarin het straks wordt genormeerd. Wat openbaar is, blijft openbaar. Wat jij zelf aanlevert, gaat versleuteld de kluis in: de code blijft bij jou, wij kunnen er niet bij, en je ziet je eigen positie terug tegenover de benchmark.

Meedoen kost je niets. De resultaten publiceren we in november.

Doe mee aan de nulmeting In gesprek

Waarom wij hier partij in zijn

KDV Online vraagt kinderopvangorganisaties om hun cijfers, en verkoopt aan diezelfde organisaties een abonnement waarmee ze zich met die cijfers kunnen vergelijken. Wij hebben er belang bij dat je meedoet. Daarom is elk getal in dit stuk terug te voeren op een openbaar stuk, en staat er bij de enige passage die dat niet is met zoveel woorden bij dat het een waarneming is en geen meting.

Wijzigingslog
  • 11-09-2026 — Eerste publicatie.
Bronnen

Elk cijfer in dit stuk is terug te voeren op een openbaar document. Waar een stuk online staat, is het gelinkt; de overige stukken zijn op te vragen bij de instantie die ze heeft uitgebracht.

Eén passage berust niet op een document. Het kader Wat ik zelf heb gezien is een waarneming van Jeroen Pernot op basis van winst- en verliesrekeningen die hem vertrouwelijk onder ogen kwamen. Die cijfers zijn niet openbaar en niet na te lopen; dat staat in het kader zelf ook zo.

Volledig overzicht van alle brondocumenten in dit dossier — inclusief status en fase. Naar het Juridisch dossier 2029

Deel artikel dit artikel

Zorgvuldig samengesteld — en open voor jouw kennis.

Ontdek meer DAEB-artikelen Meer artikelen